HOOFDSTUKKEN
Kort Tekst    
  Tekst   Inleiding
  Tekst   Over dit handboek
  Tekst   Goed, beter, best
  Tekst   Met dank aan
  Tekst   Geschiedenis
  Tekst   Terminologie
Kort Tekst   Waarom gevelisolatie
Kort Tekst   Systeemopbouw
Kort Tekst   Mortels
Kort Tekst   Bouwfysica
Kort Tekst   Kwaliteitszorg
Kort Tekst   Beoordelingsrichtlijn
Kort Tekst   Detailleren
Kort Tekst   Bestek en technisch advies
  Tekst   Stukadoorsbedrijf en Systeemhouder
Kort Tekst   Werkvoorbereiding
Kort Tekst   Verwerking
Kort Tekst   Arbeidsomstandigheden
Kort Tekst   Controle
Kort Tekst   Milieuaspecten
  Tekst   Schade
Kort Tekst   Onderhoud
Kort Tekst   Garantie
  Tekst   Tot slot
  Tekst   Literatuurlijst
  Tekst   Afkortingenlijst
Kort   Alfabetisch
     
 

21 Schade

De Stichting Bouwresearch (SBR) heeft een onderzoek laten uitvoeren naar de ervaringen met gevelisolatie. Over dit onderzoek is in 1993 de publicatie 'Praktijkervaring met gepleisterde buitengevelisolatiesystemen' uitgegeven: SBR-nr. 283. De publicatie werd opgesteld door rapporteurs van TNO aan de hand van bezoeken aan een 25-tal projecten. In deze publicatie wordt geconcludeerd dat gevelisolatie goed functioneert. Als er sprake is van 'degradatie' dan betreft dit vooral esthetische zaken; voornamelijk lokale vervuiling en algaangroei. Er wordt vastgesteld dat dit verschijnsel zich ook voordoet bij geveltypen samengesteld uit metselwerk, beton en dergelijke maar dat de acceptatiegraad daar kennelijk anders ligt.

In genoemde publicatie worden een aantal oudere projecten beoordeeld en verder diep op de problematiek ingegaan. Alle in het SBR-publicatie genoemde schaden zijn in dit handboek opgenomen en verder aangevuld. Voor meer informatie over dit onderwerp de genoemde publicatie raadplegen.

Het is ten zeerste aan te bevelen, mede i.v.m. het recht op garantie, voordat men over gaat tot herstelwerkzaamheden overleg te plegen met de garantiegevers, de systeemhouder en het gecertificeerd stukadoorsbedrijf.

21.1 Mechanische beschadiging

Mogelijke kenmerken:
  • plaatselijk gedeukte mortellaag
  • wapeningslaag en soms isolatielaag blootliggend
  • isolatie verdwenen en ondergrond in het zicht
Oorzaken: Opzettelijke stootbelastingen, vuurwerk of onjuist gebruik zoals bijv. een ladder die onvoorzichtig tegen het gevelvlak is geplaatst.
Herstel: Afhankelijk van de ernst van de beschadiging plaatselijk nieuwe wapenings- en/of pleisterlaag of nieuw systeem aanbrengen. Uit esthetische overwegingen de gevel daarna geheel opnieuw op kleur brengen. Niet te lang wachten met herstelwerkzaamheden omdat aanwezige schade nieuwe, moedwillig aangebrachte, schade aantrekt.
Preventie: Kwetsbaarheid plaatselijk verminderen door in de pleister een extra wapeningsweefsel en/of dikkere wapeningslaag aanbrengen of door tegels op het systeem te plaatsen.
Vervangen van beschadigde
isolatie, afpurren en gedeeltelijk
sierpleister wegsnijden.
Inbrengen weefsel, sierpleisteren.

21.2 Brandschade

Kenmerken: Beschadiging aan pleisterlaag alleen, of het wegkrimpen of -smelten van polystyreen, al dan niet rond de kozijnen.
Oorzaken: Brand in of buiten de woning. Zorgvuldige inspectie is noodzakelijk omdat niet altijd duidelijk zichtbaar is dat er schade is opgetreden.
Herstel: Schoonmaken en/of schilderen; e.e.a. als omschreven bij mechanische beschadiging.
Preventie: Beperking van brandschade is mogelijk door steenwol- of cellulair glas toe te passen.

21.3 Lekkages via aansluitingen

Kenmerken: Natte plekken rond kozijnen of bij plafondaansluitingen die optreden kort na een regenbui of enkele dagen na een groot regenaanbod. Vnl. in op regenzijde (zuidwesten) georiënteerde gevelvlakkengrijs, korte tijd na de oplevering.
Oorzaken: Vochttransport achter de isolatieplaten. Dit vocht is niet door het systeem zelf heen gedrongen maar ontstaat door een of meerdere moeilijk te traceren inwateringspunten. Dit in combinatie met het ontbreken van een goede afdichting tussen bijv. kozijnen en de binnenconstructie.
Herstel: Opsporen inwateringspunten. Er zijn bedrijven die hiervoor specialistische apparatuur hebben. Inwateringspunten afdichten en soms details aanpassen.
Preventie: Geen buiten het gevelvlak stekende kozijnen toepassen en kozijnen waterdicht in de gevel plaatsen.

Omtrent het opsporen van lekkage's (inwateringspunten) is in 1999 meer kennis opgedaan. Ook met betrekking tot het waterdicht maken van de ondergrond zijn er nieuwe ontwikkelingen te melden. neem kontakt op met LSGI.

21.4 Corrosie van verzinkt stalen stucprofielen

Kenmerken: Wegdrukken van de pleister bij roestvorming.
Oorzaken: Roestvorming na 5 à 10 jaar meestal bij aansluiting met een horizontaal vlak waar een capillair water vasthoudt.
Herstel: Plaatselijk pleisterlaag verwijderen en stucprofielen corrosiewerend behandelen of door het compleet vervangen door corrosiebestendige stucprofielen en daarna pleisterlaag bijwerken.
Preventie: De SBR-publicatie concludeert dat verzinkt stalen stucprofielen ongeschikt zijn voor buitentoepassing. Deze mening wordt niet door eenieder gedeeld. Toepasbare alternatieven:
- RVS-stucprofielen
- PVC-stucprofielen
- pantserhoeken

21.5 Plaatselijk verkruimelen pleisterlaag

Kenmerken: De pleisterlaag verliest zijn samenhang en wordt zacht daar waar deze langdurig nat blijft.
Oorzaken: Vorstschade die kan ontstaan als er vocht in de pleisterlaag aanwezig is. Dit is weer afhankelijk van de poreusheid van de pleisterlaag.
Herstel: Opnieuw pleisteren en vochttoetreding beperken door bijv. hydrofoberen en soms aanpassing van details.
Preventie: Letten op de juiste verwerkingstemperaturen en details. Mineraalgebonden pleisters die kort voor de winterperiode worden aangebracht hydrofoberen of waterafstotende middelen toepassen.

21.6 Onthechting systeem of -lagen

Kenmerken: 'Veren' van het systeem wanneer erop gedrukt wordt. Soms blaasvorming. Klankverschil bij het bekloppen. Dit klankverschil is overigens niet per definitie een bewijs van onthechting.
Oorzaken: Geen hechting pleister, dit kan o.a. zijn veroorzaakt door:
  • een te vochtige of vervuilde onderlaag
  • aangebracht onder verkeerde weersomstandigheden of vorst tijdens de verharding
  • onjuiste plaatverlijming bijv. door een niet goed uitgevlakte ondergrond
Herstel: Herstel is alleen noodzakelijk als de samenhang met het omliggende systeem teloor is gegaan of het pleisterwerk is losgekomen. Indien blaasvorming is opgetreden achter de pleisterlaag en het een klein vlak betreft: Blaas inspuiten met kunstharsemulsie. Pleister platdrukken. Anders op zelfde wijze te werk gaan als omschreven bij mechanische beschadiging.
Preventie: Opvolgen BRL en verwerkingsrichtlijnen.

Ook met betrekking tot blaasvorming is er o.m. bij LSGI sinds 1995 meer kennis opgebouwd. Het blijft overigens een complexe problematiek.

21.7 Blazen in de stuclaag

Kenmerken: Blaasvormige opbolling van stuclaag op cellulair glasplaten. Blazen worden bij bezonning groter en nemen weer af als de zon is verdwenen.
Oorzaken: Voordat de wapeningslaag is aangebracht, is vocht in de open cellen van het cellulair glas aanwezig geweest. Doordat dit vocht bij bezonning verdampt en niet kan diffunderen door het cellulair glas, en moeilijk of niet door de bitumineuze laag, ontstaan er blazen.
Herstel: Vooraf overleg plegen met de systeemhouder over de te volgen werkwijze.
Mogelijk herstel: Blaas doorprikken met de priem. Kit in het gat spuiten. Mortellaag platdrukken en uitpuilende kit verwijderen. Met pleister gaatje repareren.
Preventie: Afdekken van de steiger of gevel zodat de isolatieplaat en wapeningslaag niet nat kan worden. Voor het aanbrengen van de pleisterlaag de ondergrond grondig op vocht controleren.

21.8 Scheurvorming door geboortekrimp van polystyreen.

Kenmerken: Deze schade komt alleen voor bij polystyreen en treedt op korte tijd na het aanbrengen van het systeem. Ter plaatse van de naden van de platen tekenen zich scheuren af van 0,1 à 0,2 mm.
Oorzaken: De isolatieplaat krimpt na. Deze krimp kan tot 5 mm/m¹ bedragen en treedt op als de platen na de fabricage te snel verwerkt zijn. De scheurvorming treedt eerder op als de mortellaag te dun is.
Herstel: Indien de scheurvorming kleiner of gelijk is als 0,2 mm is er geen technische reden tot herstel. Plaatselijke reparaties kunnen niet onzichtbaar worden uitgevoerd. Overwogen kan worden een scheuroverbruggende coating aan te brengen.
Preventie: Bij levering controleren of er een datum van verwerking op de verpakking staat anders dient naar de verwerkingsdatum navraag gedaan te worden. Platen niet voor de toegestane datum verwerken.

21.9 Aftekening van isolatieplaten

Kenmerken: Het opbollen van polystyreenplaten. Meestal na enige jaren. Zij worden zichtbaar op sommige gevels bij strijklicht. Aftekening van de platen is ook mogelijk doordat de naden gering scheuren (scheurwijdte ca. 0,1 mm) en de naden wat meer vervuild zijn.
Oorzaken: In de SBR-publicatie wordt geen uitspraak gedaan over de oorzaak. Wel blijkt de mortellaag zeer dun te zijn. Het opbollen van een polystyreenplaat kan praktisch niet plaatsvinden als deze goed verlijmd is.
Herstel: Uit technische overwegingen niet noodzakelijk. Herstel is veelal alleen mogelijk door het compleet vervangen van het systeem.
Preventie: In ieder geval de mortellaag en hechtmortel dik genoeg aanbrengen en letten op de fabricagedatum van de isolatieplaten.

21.10 Scheurvorming in de pleisterlaag door drogingskrimp

Kenmerken: Scheuren in dikke mineraalgebonden pleisters met een breedte minder dan 0,3 mm. Zij hebben hun oorsprong ter plaatse van geveldoorbrekingen zoals kozijnhoeken of balkons. Bij grote vlakkengrijs kan zich een min of meer onregelmatig patroon van scheurtjes vormen. De scheuren treden vaak snel op na het aanbrengen, soms al in de wapeningslaag voor het aanbrengen van de pleister, in veel gevallen bij droge weersomstandigheden.
Oorzaken: De oorzaak is veelal verhardings- en drogingskrimp en kan zijn bevorderd door zon in combinatie met wind. De scheurvorming start aan de buitenzijde van de pleisterlaag en treedt op ondanks het wapeningsweefsel.
Herstel: Bij genoemde scheurwijdte en indien de onderlinge afstand van de scheuren globaal niet minder dan 1,00 m¹ is, kan niet van een abnormaal verschijnsel gesproken worden. Er is geen schade in de zin dat de functionaliteit wordt aangetast. Er kan wel van een esthetische achteruitgang gesproken worden. Indien dit niet acceptabel is kan een coating over de pleisterlaag worden aangebracht.
Preventie: De verhardingscondities dienen gunstig te zijn. Dit betekent dat afgeschermd moet worden tegen wind en zon en dat de pas aangebrachte pleisterlaag (voor het krabben) zo nodig (met nevel) nat gehouden of met folie afgedekt moet worden.

21.11 Scheurvorming in krabpleister

Kenmerken: Scheuren in de krabpleister die pas zichtbaar wordt enkele maanden na het aanbrengen.
Oorzaken: Droog- of zakscheuren die na het aanbrengen van de krabpleister ontstaan bij droog weer en/of bezonning. Krabsel dat tijdens het krabben vrijkomt zal zich in de scheuren nestelen waardoor deze scheurvorming in eerste instantie niet zichtbaar is.
Herstel: Indien dat uit esthetische overwegingen noodzakelijk is scheurtjes vullen en overschilderen. Herstel is uit technische overwegingen niet noodzakelijk als de scheurwijdte minder is dan 0,3 mm.
Preventie: Voor de krabbewerking de gevel nalopen en evt. droogscheurtjes dichtdrukken of dichtkloppen.

21.12 Lokale vervuiling van pleisterwerk

De herkenning of er sprake is van vervuiling of algvorming is beschreven in het hoofdstuk 'Onderhoud'. Lokale vervuiling doet zich vooral voor bij gevels die op de regenzijde geconcentreerd zijn. Hierbij zijn er verschillende mogelijkheden waarvan de kenmerken en oorzaken genoemd worden. Voor het herstel en preventie kan worden volstaan met een algemene aanbeveling.

Kenmerken en oorzaken:
  • geconcentreerde vervuiling bij onderhoeken onder waterslagen van kozijnen door een te geringe hellingshoek van de waterslag (minstens 15°) en/of omdat geen of verkeerde kopschotjes bij de waterslagen zijn toegepast
  • langdurig nat blijven van zones onder het raam (met soms algaangroei) door een te geringe overstek van het waterslagprofiel
  • plaatselijke vervuiling ter plekke van onderbrekingen van het gepleisterde vlak (bijv. bij bevestigingen van zonwering, verlichting en hemelwaterafvoeren). Dit ontstaat door vuil-, metaal- en corrosiedeeltjes van de bevestiging die door de regen zijn weggespoeld
  • vuile zones onder de daktrim van de horizontale dakrand door het ontbreken van een koppelstrip (of kitvoeg) bij lengtelassen
  • een over een breed front optredende vervuiling onder een daktrim is vaak het gevolg van drie tekortkomingen:
  • een te geringe opstand van de daktrim
  • een te gering overstek van de daktrim
  • een te breed horizontaal dakvlak achter de daktrim
Herstel: Zie hoofdstuk 'Onderhoud'. Schoonmaken is alleen zinvol wanneer de oorzaken (de details) worden aangepakt.
Preventie: Lokale vervuiling kan bijna altijd voorkomen worden. Zie hiertoe ook het hoofdstuk 'Detailleren'.

21.13 Groen worden van de pleisterlaag

Kenmerken: Op het gevelvlak tekenen zich groene en zwarte plekken af bij plaatselijk verhoogd wateraanbod. Dit komt vooral voor bij gevels die op het noorden georiënteerd zijn en gevels waarvoor bomen staan. Voor herkenning van algvorming zie het hoofdstuk 'Onderhoud'.
Oorzaken: Algvorming die veroorzaakt wordt door het vaak en lang nat zijn van de gevel. Dit vindt zijn oorzaak in detaillering, ontbreken van zon door bijv. bomen en de oriëntatie van de gevel. Algvorming maakt de weg vrij voor het groeien van (korst)mossen.
Herstel: Voor verwijdering en overschilderen is in het hoofdstuk 'Onderhoud' nadere informatie aan te treffen.
Preventie: Indien bezonning of winddroging niet mogelijk is zal de gevel lang nat blijven en is het moeilijk algvorming te voorkomen. Op plaatsen waar begroeiing de bezonning belemmert kan het wegnemen of snoeien ervan effectief zijn.

21.14 Graffiti op buitenpleisterwerk

Kenmerken:

Met verf of spuitbussen aangebrachte tekeningen en tekst. Op plaatsen die makkelijk zonder hulpmiddelen bereikbaar zijn en die vaak niet zichtbaar zijn vanuit woningen. Vaak bij kopgevels.

Oorzaken: Vandalisme.
Herstel: Graffiti kan worden overgeschilderd. Dit is praktisch niet onzichtbaar te doen i.v.m. kleurverschillen. Toepassing van chemische middelen bij reinigen dient omzichtig te geschieden omdat deze de pleisterlaag of de isolatieplaat kunnen aantasten. Niet te lang wachten met herstelwerkzaamheden omdat aanwezige graffiti, nieuwe graffiti, aantrekt.
Preventie: Toepassen van een anti-graffitisysteem of het plaatsen van struiken voor de gevel. Daarbij rekening houden met de opmerkingen in het hoofdstuk 'Onderhoud'.

Het is niet per definitie onmogelijk over te schilderen zonder kleurverschillen. Indien bij een overschilderbeurt hiervoor verf wordt achtergehouden is dat een eerste stap. De tweede stap is het met beleid, al dan niet verdund met water, (en niet met een roller) de laag aan te brengen, niet meer dan nodig

21.15 Verkleuren van de pleister

Kenmerken: Fletser worden van de gevel. Vooral de kleur blauw is hiervoor gevoelig. Dit verschijnsel doet zich voor bij gevels aan de zonzijde gesitueerd. Het verschil met de oorspronkelijke kleur is duidelijk waarneembaar op plaatsen waar een gevelvlak van het zonlicht afgeschermd is geweest.
Oorzaken: UV-licht. Hierbij spelen het bindmiddel en de pigmenten een rol. Vaak is bij de systeemhouder bekend of deze gevoelig zijn voor verkleuring.
Herstel: Overschilderen. Te adviseren is om hiervoor een lichtechte UV-bestendige verf te kiezen in een pastelkleur.
Preventie: Lichte kleuren toepassen en/of aan de systeemhouder zekerheden omtrent verkleuring te vragen.

21.16 Defecte kitvoegen

Kenmerken: Onthechting of scheuren van kit binnen enkele tot 15 jaar na aanbrengen.
Oorzaken:
  • kit die is aangebracht op hechtvlakkengrijs die niet schoon of droog zijn;
  • het onvoldoende mengen van meercomponentenkit;
  • niet diep genoeg aangebrachte rugvulling;
  • voegafmetingen niet afgestemd op het vervormingsvermogen van de kit;
  • meer dan 2 hechtvlakkengrijs.
Herstel: Verwijderen defecte kitvoegen. Een gezond aanhechtingsvlak voor nieuwe voegen maken. Nieuwe kit aanbrengen. In principe dezelfde kitsoort toepassen. Sommige kitten kunnen vlekvorming veroorzaken. Voor te gebruiken kitten zie het hoofdstuk 'Systeemopbouw'. Als alternatief kan soms een geïmpregneerd cellenband worden toegepast.
Preventie: In principe in het zicht blijvende kit voorkomen. Voegdimensies vooraf berekenen en zorgvuldig kit aanbrengen. Onderhoud is een vereiste.

21.17 Ongedierte in de isolatie

Kenmerken: Ongedierte (muizen en wespennesten) in de isolatieplaat.
Oorzaken: Ongedierte dat toegang gekregen heeft tot het isolatiemateriaal als dat in open verbinding staat met de grond of buitenlucht.
Herstel: Ongedierte doden. Indien noodzakelijk isolatiemateriaal reinigen en opvullen met isolatiemateriaal of PUR-schuim. Toegang afsluiten met mortel of bitumen afhankelijk van de plaats waar deze toegang zich bevindt.
Preventie: Bij detaillering erop letten dat er geen open toegangen zijn. Vooral bij de aansluiting maaiveld. Bij de toepassing van een isolatieplaat zonder omgeweefselde mortel deze plaat wel volledig verlijmen aan de onderzijde.