| HOOFDSTUKKEN | |||
| Kort | Tekst | ||
| Tekst | Inleiding | ||
| Tekst | Over dit handboek | ||
| Tekst | Goed, beter, best | ||
| Tekst | Met dank aan | ||
| Tekst | Geschiedenis | ||
| Tekst | Terminologie | ||
| Kort | Tekst | Waarom gevelisolatie | |
| Kort | Tekst | Systeemopbouw | |
| Kort | Tekst | Mortels | |
| Kort | Tekst | Bouwfysica | |
| Kort | Tekst | Kwaliteitszorg | |
| Kort | Tekst | Beoordelingsrichtlijn | |
| Kort | Tekst | Detailleren | |
| Kort | Tekst | Bestek en technisch advies | |
| Tekst | Stukadoorsbedrijf en Systeemhouder | ||
| Kort | Tekst | Werkvoorbereiding | |
| Kort | Tekst | Verwerking | |
| Kort | Tekst | Arbeidsomstandigheden | |
| Kort | Tekst | Controle | |
| Kort | Tekst | Milieuaspecten | |
| Tekst | Schade | ||
| Kort | Tekst | Onderhoud | |
| Kort | Tekst | Garantie | |
| Tekst | Tot slot | ||
| Tekst | Literatuurlijst | ||
| Tekst | Afkortingenlijst | ||
| Kort | Alfabetisch | ||
|
Uit het handboek gevelisolatie: Ten minste 48 uur en ten hoogste zes weken na plaatsing van de isolatieplaten en de hoekprofielen, moet op de aangebrachte platen een gelijkmatige dikke laag worden aangebracht van de wapeningsmortel, die volgens voorschrift van de systeemhouder is aangemaakt. Indien - bijv. als gevolg van onwerkbaar weer - de tijd tussen het aanbrengen van platen en het aanbrengen van de wapeningsmortel langer duurt dan 6 weken, moet het oppervlak van de platen volgens voorschrift van de systeemhouder worden behandeld alvorens de wapeningsmortel wordt aangebracht. Dit omdat anders UV-licht de oppervlakte van de polystyreenlaag enigszins aantast. Bij steenwolplaten moeten deze in dit geval van stof worden ontdaan. De wapeningslaag moet op een droge isolatielaag worden aangebracht. Vocht dat onder deze laag wordt opgesloten kan achteraf, bij hogere temperaturen, blazen veroorzaken bij afwerkingen die een hoge dampdichtheid hebben. Dit is vooral belangrijk bij systemen op basis van cellulair glas afgewerkt met een dispersiegebonden pleister. Dit omdat het vocht zich in de open cellen aan het oppervlak van de cellulair glasplaat kan bevinden en omdat de afwerking zeer dampdicht is. In de nog natte mortellaag moet het wapeningsweefsel zodanig worden ingebed dat het overal en zonder plooien geheel in de mortel is opgenomen. De afzonderlijke banen moeten elkaar ten minste 100 mm overlappen. Aan het verbruik van de wapeningsmortel per m², zoals dat door de systeemhouder is opgegeven, moet nauwkeurig de hand worden gehouden. Het is van het grootste belang dat het wapeningsweefsel volledig in de wapeningsmortel is opgenomen. Voorts mag het wapeningsweefsel nergens met de isolatieplaten in direct contact staan. Wapeningsweefsel van glasvezels mogen ook nergens buiten de mortellaag steken, omdat uitstekende glasvezels langs hun oppervlak vocht in de mortel kunnen geleiden. Aan de voorgeschreven dikte van de wapeningslaag dient streng de hand gehouden te worden. 17.8.3 Extra stroken bij geveldoorbrekingen Ter voorkoming van scheuren, moeten op alle hoeken van geveldoorbrekingen (ramen, deuren, e.d.) extra voorzieningen worden aangebracht volgens de opgave van de systeemhouder.
Bij sommige systemen moet z.g. diagonaalstroken van ongeveer 300 x 300 mm aangebracht voordat de wapeningslaag is aangebracht terwijl. Soms adviseren systeemhouders een omgekeerde volgorde. Deze extra stroken moeten loodrecht op de diagonalen van geveldoorbrekingen zoals kozijnen aangebracht worden. Onder geveldoorbrekingen ook te verstaan balkonmuurtjes die door de gevelisolatie aan de constructie aansluiten en dus de isolatielaag doorbreken. 17.8.4 Spanningsverdelende banen Op plaatsen waar extra spanningen kunnen ontstaan moet een extra spanningsverdelende strook worden aangebracht. Dit is bijv. het geval bij in het systeem ingewerkte zaken zoals kabelgoten, brandstroken, bevestigingsklossen, leidingen etc. 17.8.5 Een tweede wapeningsweefsel of pantserweefsel Ter vermindering van het risico op toevallige of moedwillige beschadiging van het systeem moet op de begane grond, voor zover direct aan de openbare weg gelegen, of op bepaalde plaatsen waar extra kans op beschadiging aanwezig is (bijv. rondom ingangspartijen van flatgebouwen) gebruik worden gemaakt van een zogenaamd pantserweefsel. Als alternatief kan gebruik worden gemaakt van ten minste een tweede laag 'normaal' wapeningsweefsel. In de BRL 1999 wordt erop gewezen dat indien twee lagen weefsel wordt toegepast dat het dan ook om twee bewerkingen gaat en niet om twee weefsels die in een keer worden ingebed. In de praktijk wordt deze extra weefsellaag nogal eens weggelaten, vaak uit verkeerde zuinigheid. Indien twee lagen 'normaal' wapeningsweefsel wordt gebruikt mag de achterste laag stuikend aangebracht worden. In het geval er ter verhoging van de slagvastheid van het systeem zogenaamd 'pantserweefsel' wordt toegepast moet over dit pantserweefsel nog een laag 'normaal' weefsel worden aangebracht. Het pantserweefsel moet 'stuikend' worden aangebracht en het normale weefsel met de gebruikelijke overlap. Voor de wijze van aanbrengen van deze twee weefsellagen volge men strikt de voorschriften van de systeemhouder. Bij toepassing van mineraalgebonden krabpleisters moet de wapeningslaag voordat de mortel is opgedroogd met een kam of harde borstel horizontaal worden opgeruwd. Dit is ook van toepassing op de dikke glad af te werken mineraalgebonden pleisters. De horizontale opruwing verdient de voorkeur boven een verticale. Bij dunne systemen wordt de wapeningslaag veelal vlak afgesmeerd tenzij de pleister ongeveer 5 mm dik is; dan vindt een beperkte opruwing plaats. 17.8.7 Afwerking met bitumenemulsie Op de onafgewerkte (vlak gesmeerde) wapeningslaag of op de pleisterlaag kan een bitumenemulsie worden aangebracht (voornamelijk bij het maaiveld). Een bitumenemulsie dient, ter verkrijging van de waterdichtheid, in meerdere lagen aangebracht te worden waarbij de onderscheide lagen geheel droog moeten zijn alvorens een nieuwe laag wordt opgebracht. Verwerkingsvoorschriften van de leverancier volgen. |
|