HOOFDSTUKKEN
Kort Tekst    
  Tekst   Inleiding
  Tekst   Over dit handboek
  Tekst   Goed, beter, best
  Tekst   Met dank aan
  Tekst   Geschiedenis
  Tekst   Terminologie
Kort Tekst   Waarom gevelisolatie
Kort Tekst   Systeemopbouw
Kort Tekst   Mortels
Kort Tekst   Bouwfysica
Kort Tekst   Kwaliteitszorg
Kort Tekst   Beoordelingsrichtlijn
Kort Tekst   Detailleren
Kort Tekst   Bestek en technisch advies
  Tekst   Stukadoorsbedrijf en Systeemhouder
Kort Tekst   Werkvoorbereiding
Kort Tekst   Verwerking
Kort Tekst   Arbeidsomstandigheden
Kort Tekst   Controle
Kort Tekst   Milieuaspecten
  Tekst   Schade
Kort Tekst   Onderhoud
Kort Tekst   Garantie
  Tekst   Tot slot
  Tekst   Literatuurlijst
  Tekst   Afkortingenlijst
Kort   Alfabetisch
     
 

Uit het handboek gevelisolatie:

17.7 Pluggen

17.7.1 Wanneer noodzakelijk

Bij gelijmde systemen is het in bepaalde gevallen noodzakelijk dat de platen naast verlijming als extra zekerheid, met additionele middelen worden gefixeerd. Voorts is, naast verlijming, additionele mechanische bevestiging noodzakelijk op ondergronden die als onvoldoende draagkrachtig en daarom als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Als zodanig zijn te noemen gevels die voorzien zijn van (loszittende) mortellagen of geschilderde gevels, ook wanneer het verfsysteem nog intact is. Voor het aanbrengen van de isolatieplaten moeten de losse delen worden verwijderd. Bij gekromde gevelvlakkengrijs en tegen de onderkant van plafonds moet in ieder geval aanvullend mechanisch worden bevestigd. Op hoogtes boven de 10 m¹ boven het maaiveld moet het systeem altijd aanvullend mechanisch worden bevestigd. In de BRL 1999 is de eis van 10 meter komen te vervallen. Bij grote hoogtes moet wel worden aangetoond of zonder pluggen voldoende trekkracht aanwezig is om af te zien van pluggen.

In algemene zin kan gesteld worden dat er (te) vaak, onnodig pluggen worden voorgeschreven en dat dit ook nadelen kan hebben.

Omdat de vezels van de steenwol lamellenplaten loodrecht op de gevel staan heeft de plaat een grotere trekkracht en hebben pluggen geen effect. Bij hoge trekkrachten aan de plaat zal de plug nl. door de plaat getrokken worden. Soms wordt bij deze plaat geadviseerd de plug na het aanbrengen van de (verse) wapeningslaag aan te brengen. Bij hoge trekkrachten is het vaak verstandiger normale platen toe te passen. Zelfs dan kan het voorkomen dat geadviseerd wordt de plug aan te brengen nadat het wapeningsweefsel is aangebracht.

Bij cellulair glasplaten moeten de pluggen altijd na het aanbrengen van de wapeningslaag worden aangebracht.

17.7.2 Welke

Hiervoor moeten pluggen worden gebruikt in een aantal en op een manier zoals dit door de systeemhouder wordt aangegeven en/of in het bestek c.q. advies is omschreven. De lengte van de pluggen moet zodanig worden gekozen dat zij ten minste 30 mm in de draagkrachtige ondergrond zijn verankerd.

17.7.3 Hoe

De geplaatste pluggen moeten zo ver worden ingeslagen dat zij in geen geval buiten het vlak van de isolatieplaten uitsteken. Men zij er echter ook op attent dat de pluggen niet te diep in de plaat geslagen worden waardoor daar ter plaatse te dikke mortellagen ontstaan.

17.7.4 Tijdstip

Ten aanzien van het tijdstip van aanbrengen van de pluggen dient men zich nauwkeurig te houden aan hetgeen de systeemhouder heeft voorgeschreven. Veelal is het mogelijk of wenselijk (bijv. bij horizontale plaatsing) de pluggen direct na het lijmen van de platen aan te brengen. Wanneer dit niet mogelijk of gewenst is moeten de pluggen worden aangebracht op een zodanig tijdstip dat de hechtmortel volledig is uitgehard.

In andere gevallen kan de plug het verhardingsproces verstoren en/of scheurvorming in de hechtmortel veroorzaken.

Lees verder...