HOOFDSTUKKEN
Kort Tekst    
  Tekst   Inleiding
  Tekst   Over dit handboek
  Tekst   Goed, beter, best
  Tekst   Met dank aan
  Tekst   Geschiedenis
  Tekst   Terminologie
Kort Tekst   Waarom gevelisolatie
Kort Tekst   Systeemopbouw
Kort Tekst   Mortels
Kort Tekst   Bouwfysica
Kort Tekst   Kwaliteitszorg
Kort Tekst   Beoordelingsrichtlijn
Kort Tekst   Detailleren
Kort Tekst   Bestek en technisch advies
  Tekst   Stukadoorsbedrijf en Systeemhouder
Kort Tekst   Werkvoorbereiding
Kort Tekst   Verwerking
Kort Tekst   Arbeidsomstandigheden
Kort Tekst   Controle
Kort Tekst   Milieuaspecten
  Tekst   Schade
Kort Tekst   Onderhoud
Kort Tekst   Garantie
  Tekst   Tot slot
  Tekst   Literatuurlijst
  Tekst   Afkortingenlijst
Kort   Alfabetisch
     
 

Uit het handboek gevelisolatie:

17.6 Het aanbrengen van de isolatieplaten

17.6.1 Consequenties de randprofilering van polystyreenplaten

Stompe platen worden koud (oftewel zonder een vulmateriaal in de naad) tegen elkaar aangeschoven. Bij stompe platen is het moeilijker een vlakke isolatielaag te realiseren. Oneffenheden moeten met een schuurbord (of mechanisch met een speciale schuurmachine) weg worden geschuurd. Dit laatste is niet mogelijk bij geëxtrudeerd polystyreen.

Door een randprofiel sluit het oppervlak van naast elkaar liggende platen op elkaar aan, en geven daardoor een vlakker (te stukadoren) oppervlak. Aan de verlijming van deze platen op gevels met grove oneffenheden moet wel extra aandacht worden besteed. Omdat de plaats van de plaat door het randprofiel bepaald wordt, moet erop gelet worden dat er een lijmlaag van voldoende dikte is aangebracht.

17.6.2 Aanmaak van mortel

De mortel moet volgens voorschrift van de systeemhouder worden aangemaakt in een schone speciekuip van niet-corrosief materiaal. De aangemaakte mortel moet worden verwerkt binnen de tijd die hiervoor door de systeemhouder is aangegeven.

17.6.3 Passtroken

Isolatieplaten moeten zoveel mogelijk in hun geheel worden verwerkt, behalve daar waar zij, als gevolg van bouwkundige details van de gevel, tot passtukken moeten worden verzaagd of versneden. In die gevallen moet er voor worden gezorgd dat een strakke zaaglijn verkregen wordt. In principe mogen geen kleinere passtukken worden gebruikt dan stroken van tenminste 150 mm. In geen geval mogen deze passtroken structureel over de gevel verdeeld worden toegepast. Afgebrokkelde of anderszins beschadigde platen mogen niet worden verwerkt.

17.6.4 Het maaiveld

Indien een waterbestendige isolatieplaat wordt toegepast hoeft het wapeningsweefsel niet aan de onderzijde te worden omgezet. Wel blijft het dan vereist dat de isolatieplaat aan de onderzijde over de gehele lengte volledig is verlijmd. Zie over dit onderwerp ook hoofdstuk 'Systeemopbouw'.

17.6.5 De onderste rij isolatieplaten op een stellat of een sokkelprofiel

Het aanbrengen van de onderste rij platen van het systeem op het te isoleren gevelvlak moet nauwkeurig en waterpas geschieden. Men gebruike hiertoe een sokkelprofiel, dan wel een stellat. De stellat dient als hulpmiddel en moet na het aanbrengen van het systeem worden verwijderd. Indien een sokkelprofiel moet worden toegepast zal dit in het bestek of advies omschreven dienen te zijn. Bij gebruik van sokkelprofielen op geveldelen boven aanbouwen e.d. moet men attent zijn op het gevaar van spanningscorrosie wanneer de sokkelprofielen op een loodslabbe worden gemonteerd.

De sokkelprofielen bevestigen met slagschroeven.

Foto: Het pas maken van de isolatieplaat.

Bij de aansluiting van de gevel met gallerijvloeren, balkonvloeren etc. onder het sokkelprofiel loden of kunststof slabben aanbrengen. Deze kunnen bevestigd worden met knelprofielen, waardoor de slabben eenvoudig te vervangen zijn.

17.6.6 Het op maat maken

Polystyreen en cellulair glasplaten worden veelal met een fijne handzaag op maat gesneden. Het pasmaken van steenwolplaten dient te geschieden met een scherp mes en niet door zagen, scheuren of een andere methode.

Een speciaal snijapparaat geeft minder afval en strakkere aansluitingen. De meest gebruikte snijapparaten voor polystyreenplaten werken met een gloeidraad die door de polystyreen smelt. Er zijn ook snijapparaten die voor zowel polystyreen als steenwol geschikt zijn. De snijdraad maakt daarbij een licht zagende beweging.

17.6.7 De hechtmortel

Foto: Aanbrengen randverlijming. De isolatieplaten dienen volgens voorschrift van de systeemhouder van hechtmortel te worden voorzien zodanig dat een voldoende hechtoppervlak ontstaat. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de kamspaan voor het 'volvlak' verlijmen van de plaat hetgeen in de meeste gevallen gebeurt bij gevelvlakkengrijs met weinig oneffenheden. Wanneer niet voor de volvlak lijmmethode gekozen wordt moet men in ieder geval de randen (en hoeken) van het plaatoppervlak zorgvuldig van hechtmortel voorzien en moeten tevens in het 'hart' van de plaat meerdere rillen of moppen worden aangebracht zodat een evenwichtig verdeeld 'draagvlak' wordt verkregen. Een en ander is te controleren door direct na plaatsing de isolatieplaat los te trekken van de ondergrond teneinde de hechtmortelverdeling te inspecteren.

In tegenstelling tot andere systemen wordt de cellulair glasplaat met een bitumineuze koude kleefstof verlijmd.

Bij isolatieplaten van cellulair glas worden eerst de stofresten van de platen verwijderd. Vervolgens worden de platen volgens voorschrift van de systeemhouder van hechtmateriaal voorzien. Deze platen worden dan met een licht draaiende beweging zo dicht mogelijk tegen de reeds geplaatste platen geschoven.

In bepaalde gevallen worden de plaatnaden ook van kleefstof voorzien.

Indien gevelisolatie incidenteel wordt aangebracht op een niet-steenachtige ondergrond o.d. dient de verlijming geschieden volgens voorschriften van de systeemhouder. Te denken aan het aanbrengen van gevelisolatie op een gedeelte van een pui. Isolatie wordt bij voorkeur niet op houten ondergronden aangebracht. In deze gevallen genieten cementgebonden plaatmaterialen de voorkeur, echter het blijft in strijd met de BRL. Bij toepassing van cementgebonden houtvezelplaten dienen de verwerkingsvoorschriften bijvoorbeeld m.b.t. tot het vastschroeven en droge opslag zeer strikt nageleefd te worden om schade te voorkomen.

17.6.8 Het plakken

De isolatieplaten moeten strak tegen elkaar aansluiten. Er moet echter zorgvuldig voor worden gewaakt dat er geen mortel in de naden tussen de isolatieplaten raakt. Voor het aandrukken van de platen kan men het beste een schoon schuurbord gebruiken. Met een rei moet regelmatig worden gecontroleerd of de platen ook in één vlak liggen. Op deze wijze moeten, van onderen af in horizontale rijen naar boven toe werkend, de isolatieplaten systematisch op het gevelvlak worden aangebracht.

Over de aansluiting van platen tegen kozijnen e.d. wordt elders in dit hoofdstuk beschreven.

17.6.9 Het 'verband'

Foto: Hoek met isolatieplaten in verband. Het in verband brengen van de isolatieplaten heeft als voordeel dat er strak gewerkt wordt en dat de banen isolatie evenwijdig blijven lopen. De BRL is (te) streng in haar eis dat de platen horizontaal aangebracht worden:

De isolatieplaten moeten op het gevelvlak horizontaal en in 'verband' worden aangebracht. In de BRL 1999 is op dit punt een wijziging doorgevoerd. De platen mogen nu ook verticaal in 'verband' worden aangebracht. Hierbij moeten zij tenminste 150 mm verspringen. Op gebouwhoeken (uitgezonderd neggekanten kleiner dan 250 mm) moeten de platen in verband worden gemonteerd. In uitzonderlijke gevallen, bijv. om geen kleine passtukken te hoeven gebruiken, mogen de platen verticaal worden gemonteerd. Bij isolatieplaten van cellulair glas worden afhankelijk van de gekozen lijmsoort (een al dan niet elastisch blijvende lijm) de platen in verband aangebracht of met doorlopende voegen.

Te denken aan uitwendige hoeken. Het beschrevene over cellulair glas heeft betrekking op hoeken.

17.6.10 Plaatnaden bij scheuren, dilataties en ongelijksoortige ondergrond

Boven scheuren in de gevel mogen geen plaatnaden komen. In die gevallen moeten de platen de scheur steeds tenminste 100 mm overlappen. Ook bij de overgang van ongelijksoortige bouwmaterialen als ondergrond mogen de plaatnaden niet samenvallen met die overgangen. Bij constructieve dilataties in de gevel moet er op gelet worden dat deze niet worden bedekt met het systeem. De platen moeten daar zodanig worden aangebracht dat de dilataties altijd in het systeem kunnen worden doorgezet. In die gevallen moet ook het sokkelprofiel worden onderbroken.

Overgangen van materialen mogen niet samenvallen met plaatnaden. Dit is uiteraard alleen het geval bij die materialen die in één vlak liggen.

17.6.11 Plaatnaden bij gevelopeningen, neggen en hoeken

Plaatnaden mogen bij voorkeur ook niet samenvallen met hoeken van gevelopeningen zoals ramen en deuren. Zo mogelijk moeten platen bij die hoeken uit een volledige plaat gezaagd worden. Bij raamopeningen moeten in de neggekanten passtroken worden geplaatst in een dikte zoals voorgeschreven is in het bestek of advies. Het verdient echter aanbeveling om zo mogelijk dezelfde dikte aan te houden als ter plaatse van de gevelvlakkengrijs. Indien in het bestek of advies hieromtrent niets vermeld wordt dan passtroken van ten minste 10 mm dik toepassen.

Hierbij te letten op de stabiliteit van de plaat. Bij cellulair glas wordt in deze gevallen een dikkere plaat geleverd die tot de gewenste dikte kan worden geschuurd of gezaagd.

17.6.12 Reparatie van beschadigde platen

In het geval dat reeds aangebrachte isolatieplaten zijn beschadigd (deuken, gaten) moet het beschadigde deel zorgvuldig met een scherp mes tot aan de ondergrond worden uitgesneden, waarna de ontstane opening met een passtuk van hetzelfde isolatiemateriaal, dat op de ondergrond moet worden gelijmd, kan worden opgevuld.

17.6.13 PUR-schuim

Kleine naden en openingen, bijv. bij aansluitingen, kunnen eventueel met één-componenten polyurethaanschuim worden gedicht. Het aanbrengen van het schuim mag ten vroegste 48 uur na het lijmen van de platen geschieden. Het opvullen van gaten en deuken met hechtmortel of wapeningsmortel is niet toelaatbaar.

De reden dat het schuim pas later mag worden aangebracht is dat, door de uitzetting van het schuim, de platen kunnen worden weggedrukt. Naden tussen cellulair glasplaten kunnen met de bitumineuze kleefstof worden gedicht waarmee ze verlijmd worden. Dit is onder normale omstandigheden (tot klimaatklasse IV) overigens niet noodzakelijk.

17.6.14 Het vlakschuren

Eventuele ongelijkheden in de plaatoppervlakkengrijs en bijv. op hoeken moeten met een schuurbord worden geëgaliseerd.

Bij cellulair glas afgewerkt met een dispersiegebonden pleister is dit schuren altijd een onderdeel van het aanbrengen. Na het schuren dienen de losse stofdeeltjes te worden verwijderd. Meestal wordt de gevel daartoe met lucht schoongespoten of geborsteld.

17.6.15 Vlakheidsafwijkingen in de isolatielaag

Vlakheidsafwijkingen in de isolatielaag zijn veelal het gevolg van een niet vlakke ondergrond. In het vorige hoofdstuk zijn hierover waarden gegeven. Indien er sprake is van kleine vlakheidsafwijkingen in de isolatielaag, dan kunnen deze opgevangen worden door het vlakschuren van platen.

Lees verder...