| HOOFDSTUKKEN | |||
| Kort | Tekst | ||
| Tekst | Inleiding | ||
| Tekst | Over dit handboek | ||
| Tekst | Goed, beter, best | ||
| Tekst | Met dank aan | ||
| Tekst | Geschiedenis | ||
| Tekst | Terminologie | ||
| Kort | Tekst | Waarom gevelisolatie | |
| Kort | Tekst | Systeemopbouw | |
| Kort | Tekst | Mortels | |
| Kort | Tekst | Bouwfysica | |
| Kort | Tekst | Kwaliteitszorg | |
| Kort | Tekst | Beoordelingsrichtlijn | |
| Kort | Tekst | Detailleren | |
| Kort | Tekst | Bestek en technisch advies | |
| Tekst | Stukadoorsbedrijf en Systeemhouder | ||
| Kort | Tekst | Werkvoorbereiding | |
| Kort | Tekst | Verwerking | |
| Kort | Tekst | Arbeidsomstandigheden | |
| Kort | Tekst | Controle | |
| Kort | Tekst | Milieuaspecten | |
| Tekst | Schade | ||
| Kort | Tekst | Onderhoud | |
| Kort | Tekst | Garantie | |
| Tekst | Tot slot | ||
| Tekst | Literatuurlijst | ||
| Tekst | Afkortingenlijst | ||
| Kort | Alfabetisch | ||
|
Uit het handboek gevelisolatie: Een grondige beoordeling van de ondergrond voorkomt discussies achteraf. Goed en tijdig overleg bespaart kosten. Elk te isoleren object moet derhalve vooraf nauwgezet aan een kritische inspectie worden onderworpen, waarbij met name de in dit hoofdstuk genoemde aspecten moeten worden beschouwd. Eventuele bedenkingen die tegen het aanbrengen van gevelisolatie kunnen worden aangevoerd, dienen vooraf schriftelijk aan de opdrachtgever te worden medegedeeld. Dit geldt met name voor de ondergrond waarop het systeem dient te worden aangebracht. 16.5.1 Verschillende ondergronden in één vlak Wanneer er sprake is van verschillende ondergronden moet vooraf nauwkeurig worden aangegeven wat de aanvullende eisen zijn met betrekking tot de bevestiging van het systeem op die ondergrond met een specificatie van de locaties waarop een en ander betrekking heeft. 16.5.2 Vlakheid van de ondergrond Zo dient men zich te realiseren dat gevelisolatiesystemen niet ontwikkeld zijn om scheve muren recht te maken resp. grote oneffenheden aan het gezicht te onttrekken of andere bouwkundige gebreken te verdoezelen. Op gevelvlakkengrijs waarin oneffenheden voorkomen die groter zijn dan 10 mm/m1, mag het systeem pas worden aangebracht nadat deze oneffenheden zijn weggewerkt. Plaatselijke, voorspringende oneffenheden van de gevel moeten eerst worden weggebikt en terugliggende gedeelten moeten worden uitgevlakt met een daartoe geëigende mortel. Pas nadat de beraping voldoende is doorgehard mag met het aanbrengen van het systeem worden begonnen.
Zorgvuldigheid in de uitvoering door de bouwkundig aannemer kan zeker hier onnodige meerkosten voorkomen. Speciebaarden, die eenvoudig voorkomen kunnen worden, kosten later geld! Vanwege de vereiste vlakheid van de ondergrond, is ook het metselen van binnen uit, af te raden. Bij het stellen van een ondergrond in de nieuwbouw dient erop gelet te worden dat door het gevelvlak stekende delen (bijv. betonbalken) moeten worden weggekapt of dat daardoor plaatselijk de isolatieplaat moet worden ingekeept. Terugliggende vloeren of balken verdienen dan de voorkeur. Geheel vlak is uiteraard het beste. Tenslotte moet men er in het bijzonder op attent zijn dat de onderconstructie waarop het systeem wordt aangebracht 'slagwaterdicht' is. Het gevelisolatiesysteem is een gevelbekledingssysteem en mag niet worden gebruikt als geveldichtingssysteem'.
De gevels zelf, en de aansluitingen van de gevel met andere constructiedelen zoals bijv. kozijnen, moeten waterdicht zijn. Het afgestukadoorde isolatiepakket is praktisch nooit de oorzaak van vochtdoorslag. De aansluitingen zijn 'de zwakke schakel'. Vaak wordt over het hoofd gezien dat, als er door een uitvoerings- of detailleringsfout, vocht achter de isolatieplaat komt, dit vocht naar beneden kan zakken. Het kan dan voorkomen dat dit vocht, bijv. enkele verdiepingen lager, lekkages rond de kozijnen veroorzaakt. Onder invloed van de wind en de windrichting kan de luchtdruk in de woning lager zijn dan buiten! Daardoor kan het vocht als het ware het gebouw ingezogen worden. Het is daarom van het allergrootste belang dat kozijnen goed afgedicht in de gevel zijn geplaatst. Hiertoe kan een strook was- of bitumenband over de (afgepurde) naad tussen kozijn en muur geplakt te worden. Om de hechting van de platen niet te verstoren mag het wasband op kritische plaatsen ook weer niet te breed zijn, bijv. in neggen. Ook is speciale aandacht noodzakelijk voor het aanbrengen van het wasband rond ankers waarmee kozijnen bevestigd kunnen zijn. PUR-schuim alleen is zeker niet voldoende. Het afdichten van kozijnen behoort normaliter niet tot het werk van de stukadoor. 16.5.5 Spanningsvrije en stabiele aansluitingen De in het systeem op te nemen of door te voeren (ge)bouwdelen dienen spanningsvrij te worden uitgevoerd. Deze mogen geen extra krachten uitoefenen op het systeem en dienen zelfstandig te worden gefixeerd. De aansluiting van de kozijnen e.d. dient zodanig te worden uitgevoerd dat er sprake is van een stabiele bevestiging, ook zonder de nog aan te brengen gevelisolatie. 16.5.6 Gekromde gevelvlakkengrijs Uiteraard kan het gevelisolatiesysteem niet zonder meer op gebogen gevelgedeelten worden aangebracht. Bij 'lichte' krommingen kan dikwijls worden volstaan met het inkepen van de isolatie of, in andere gevallen met het 'verticaal' plaatsen van de isolatieplaten. De inkepingen (zaagsneden om de kromming te kunnen realiseren) zijn echter alleen toegestaan als deze zich aan die zijde van de plaat bevinden, die op de ondergrond wordt gelijmd. Wanneer sprake is van sterkere krommingen, en de platen ook na inkeping niet zonder beschadigingen kunnen worden gemonteerd, zullen vormstukken moeten worden toegepast. De speciaal te vervaardigen vormstukken moeten in dat geval uiteraard voldoen aan de eisen die aan de overige in het werk toegepaste isolatieplaten zijn gesteld. Indien isolatieplaten op een gekromde ondergrond bevestigd worden, moet direct tijdens het aanbrengen door middel van pluggen een additionele mechanische bevestiging worden gerealiseerd. Het toepassen van vormstukken vereist een goede inmeting van de gevel. De kromming dient daarbij niet teveel afwijkingen te hebben. Vormstukken hebben een lange levertijd en zijn kostbaar. Daarom worden vormstukken niet vaak toegepast. Bij polystyreen wordt vaak gewerkt met smallere stroken plaatmateriaal. Openstaande V-vormige naden worden afgepurd. Bij cellulair glas worden de platen in segmenten verlijmd en daarna geschuurd. Bij steenwol worden in dit geval vaak lamellenplaten gebruikt die een redelijke flexabiliteit hebben. Het is raadzaam bij gekromde gevelvlakkengrijs met de betreffende systeemhouder overleg te plegen. Gevels waarop de gevolgen van vochtschade worden waargenomen mogen niet zonder meer van een gevelisolatiesysteem worden voorzien. Aanbevolen wordt om hieromtrent een onafhankelijke deskundige de situatie ter plaatse te laten beoordelen. In bepaalde situaties (bijv. bij optrekkend vocht) zijn, alvorens tot het aanbrengen van een systeem mag worden overgegaan, min of meer ingrijpende bouwkundige maatregelen nodig om vooraf de oorzaken van vochtschade te elimineren. In de meeste gevallen kunnen gevels met smalle scheuren zonder speciale voorzorgsmaatregelen van een gevelisolatiesysteem worden voorzien. Indien men met zeer brede scheuren in de gevel wordt geconfronteerd raadplege men een onafhankelijke deskundige. Hetzelfde geldt voor scheuren waarvan het vermoeden bestaat dat zij nog zullen 'bewegen' (bijv. door zetting). Afhankelijk van het verloop en de aard van de scheuren, moeten zonodig dilatatievoegen worden aangebracht. Scheuren die het gevolg zijn van een verschillend thermisch gedrag van de ondergrond kunnen in het algemeen zonder meer door het systeem worden overbrugd daar de thermische werking van de ondergrond permanent gereduceerd wordt. Voegwerk behoeft niet eerst te worden hersteld. Beschadigingen van grotere omvang moeten echter vooraf met een geëigend reparatiemateriaal worden gevuld en uitgevlakt. Bij geverfde gevels raadplege men, indien een gelijmd systeem wordt toegepast, altijd de leverancier van het systeem in verband met de hechting van het systeem op betreffende verf. Beschadigde, slecht hechtende of bladderende verflagen moeten volledig worden verwijderd. Gevels waarvan het pleisterwerk los zit, brokkelig is geworden of zacht is, zijn niet geschikt als ondergrond voor een gelijmd gevelisolatiesysteem. Wanneer gelijmde systemen toch op deze ondergrond moeten worden bevestigd, is het noodzakelijk om aanvullende mechanische bevestigingsmiddelen toe te passen. Hiermee worden pluggen bedoeld. Bij gepleisterde gevels kan nader onderzoek naar de hechtkracht gewenst zijn. 16.5.12 Metalen voorwerpen in en aan de gevel De metalen voorwerpen (bijv. blootliggend wapeningsstaal) die in het systeem worden opgenomen moeten roestwerend worden behandeld. Daartoe moeten ze stofvrij worden gemaakt en evt. in meerdere lagen behandeld worden. 16.5.13 Gevels met niet- of sterk zuigend oppervlakte Op gevels van materialen met een niet-zuigend oppervlak (bijv. geglazuurde baksteen, verblendsteen, tegel- of mozaïekwerk etc.) mag een gelijmd systeem niet zonder meer worden aangebracht. Hetzelfde geldt voor gevels met een sterk dampremmende huid (dichte verfsystemen, dicht buitenpleisterwerk, etc.) of die voorzien zijn van waterafstotende middelen. Tevens dient men attent te zijn op gevels die opgebouwd zijn uit materialen met een zeer sterk zuigend karakter. Men raadplege in die gevallen vooraf de systeemhouder inzake de hechting van het systeem op dergelijke ondergronden en de noodzakelijke voorbehandeling daarvan. Het is niet toelaatbaar om het systeem aan te brengen op gevelvlakkengrijs die te nat zijn. In dat verband kan men bijvoorbeeld denken aan woningen of gebouwen die langdurig leeg hebben gestaan en die zich als gevolg daarvan in een slechte staat van onderhoud bevinden (lekkende dakgoten, hemelwaterafvoeren etc.) Maar ook in de nieuwbouw is het van belang dat men voor aanvang van de werkzaamheden aandacht schenkt aan de vochtigheid van de ondergrond. Voor een goed eindresultaat wordt het noodzakelijk geacht dat de ondergrond ten minste 'winddroog' is. 16.5.15 Gevels hoger dan 10 m¹ Gelijmde systemen moeten op gevels hoger dan 10 m¹ additioneel worden voorzien van pluggen. De pluggen moeten in elk geval worden aangebracht op het geveldeel dat zich boven de 10 m¹ boven maaiveld bevindt. Dit artikel uit de BRL is vaak onderwerp van discussie, zeker als buitenlandse fabrikanten daarbij betrokken worden. In de ons omringende landen gelden nl. andere eisen. Bouwkundige dilataties in de onderconstructie waarop het gevelisolatiesysteem wordt aangebracht moeten consequent in het systeem worden doorgezet. Wanneer in lange en/of hoge doorlopende gevels geen dilataties voorkomen, respectievelijk waar dat om constructieve redenen noodzakelijk is (bijv. bij de overgang op andersoortige bouwmaterialen), moet door de systeemhouder worden aangegeven of dilateren al dan niet noodzakelijk is. Buiten bouwkundige dilataties behoeven systemen, behalve als die met tegels afgewerkt worden, dus niet gedilateerd te worden. Tenzij door de systeemhouder anders voorgeschreven. Dit kan soms bij zeer grote vlakkengrijs voorkomen. Aan ventilatie-, afvoerkanalen en andere openingen in de gevel (bijv. doorvoeren van gevelkachels, wasemkappen, ventilatoren, etc.) dient de nodige aandacht te worden besteed. Buitenroosters van geveldoorvoeren moeten eerst worden gedemonteerd; de doorvoeren moeten na verlenging aan de buitenzijde van het systeem aansluiten, waarna de buitenroosters wederom kunnen worden gemonteerd. Daarbij moet worden gezorgd voor een goede afdichting rondom (bijv. met een cellenband of een voegvullingsmassa die het isolatiemateriaal niet aantast). Bij systemen op basis van polystyreenplaten moeten afvoerkanalen van hete rookgassen altijd eerst rondom worden voorzien van een bekleding van een onbrandbaar isolatiemateriaal opdat het systeem nergens met de doorvoerbuis in aanraking kan komen. De breedte van de strook isolatiemateriaal moet in dat geval ten minste 50 mm bedragen met dezelfde dikte als die van de toegepaste isolatieplaten. Hierbij valt op te merken dat de toegepaste afvoerkanalen aan de buitenzijde een aanzuigbuis voor buitenlucht (voor de verbranding) hebben. De rookgassen treden door een daarbinnen gelegen afvoerbuis naar buiten. In deze gevallen is de temperatuur van de buitenste buis dermate laag dat het niet nodig is deze rondom te voorzien van onbrandbaar isolatiemateriaal. Indien isolatieplaten op plafonds bevestigd worden, moet direct tijdens het aanbrengen door middel van pluggen een additionele mechanische bevestiging worden gerealiseerd. |
|