HOOFDSTUKKEN
Kort Tekst    
  Tekst   Inleiding
  Tekst   Over dit handboek
  Tekst   Goed, beter, best
  Tekst   Met dank aan
  Tekst   Geschiedenis
  Tekst   Terminologie
Kort Tekst   Waarom gevelisolatie
Kort Tekst   Systeemopbouw
Kort Tekst   Mortels
Kort Tekst   Bouwfysica
Kort Tekst   Kwaliteitszorg
Kort Tekst   Beoordelingsrichtlijn
Kort Tekst   Detailleren
Kort Tekst   Bestek en technisch advies
  Tekst   Stukadoorsbedrijf en Systeemhouder
Kort Tekst   Werkvoorbereiding
Kort Tekst   Verwerking
Kort Tekst   Arbeidsomstandigheden
Kort Tekst   Controle
Kort Tekst   Milieuaspecten
  Tekst   Schade
Kort Tekst   Onderhoud
Kort Tekst   Garantie
  Tekst   Tot slot
  Tekst   Literatuurlijst
  Tekst   Afkortingenlijst
Kort   Alfabetisch
     
 

Uit het handboek gevelisolatie:

8.8 Materialen bij aansluitingen

Een juiste uitvoering van de aansluitingen van de gevelisolatie aan ondergrond en overige constructiedelen is van groot belang.

8.8.1 Cellenband

De beëindiging van de isolatieplaat en/of de aansluiting met andere constructiedelen wordt vrijwel altijd afgedicht met cellenband (open cellen); afmeting minstens 15 x 10 mm. (foto's 16.5.4 en 8.14). Dit band is dicht indien het een bepaalde compressie heeft. De af te dichten naden mogen daarom niet te groot zijn. De mate van compressie wordt aangegeven door de fabrikant. Bij cellulair glasplaten wordt naast cellenband kit gebruikt.

8.8.2 Was- of bitumenband

Voordat gevelisolatie wordt aangebracht dienen de ondergrond en de aansluitingen waterdicht te zijn. Het is van het grootste belang dat bijv. de kozijnen waterdicht in de gevel worden geplaatst. (foto 16.5.4). Dit is zeker van belang bij nieuwe kozijnen. Om dit te bereiken kan de naad tussen kozijn en gevel worden afgeplakt met een z.g. was- of bitumenband. Dit band heeft het nadeel dat het bij lage temperaturen moeilijk te verwerken is. Het band is niet bestand tegen hoge temperaturen waardoor het niet kan worden aangebracht op donkere metalen kozijnen. Vaak dient de ondergrond voor het aanbrengen van het band voorzien te worden van een primer. Het aanbrengen behoort overigens normaliter niet tot de werkzaamheden van de stukadoor.

8.8.3 Materialen bij de aansluiting bij het maaiveld

Daar waar de gevelisolatie in aanraking komt met het maaiveld moet de materiaalkeuze uiteraard dusdanig zijn dat de betreffende materialen, vochtbestendig zijn.

Voor de isolatieplaten geldt dat deze

  • òf waterongevoelig zijn. In dit geval hoeft de mortel aan de onderzijde niet omgeweefseld te worden. De hechtmortel waarmee deze platen aan de gevel bevestigd worden, dient dan wel over de gehele plaat te worden aangebracht en waterdicht en watervast te zijn;
  • òf aan onderzijde geheel voorzien worden met de wapeningslaag en dat het weefsel omgezet dient te zijn tot op de ondergrond. Dit kan achterwege blijven indien de afdichting aan de onderzijde van het systeem op een andere wijze is gewaarborgd.

Voor wat de mortels geldt dat deze:

  • òf water- en dampdicht behandeld dienen te zijn. Dit kan worden gerealiseerd door het aanbrengen van een bitumenemulsie. Deze dient bij voorkeur op de (vlak gesmeerde) wapeningslaag of anders op de pleisterlaag te worden aangebracht. Bij cellulair glas afgewerkt met mineraalgebonden mortel kan de bitumineuze laag rechtstreeks op de plaat worden toegepast zonder een wapeningsweefsel. Hierbij dienen de naden tussen de platen wel met het zelfde materiaal gedicht te worden;
  • òf zelf water- en dampdicht dienen te zijn. In dit bijzondere geval kunnen deze dan worden afgewerkt met een siliconenverf (bijv. in dezelfde kleur als de gevel). Dit is overigens niet bij alle systemen mogelijk.
  • Opspattend regenwater zonder...
    ... en met grindbed rond de gevelisolatie.

Een van de taken van de water- en dampdichte (behandelde) laag is de bescherming van de isolatielaag. De hoogte van deze laag wordt vaak bepaald door de opdrachtgever. Vaak wordt deze tot 300 mm boven maaiveld toegepast. Bij gevelisolatie aan de straatwand wordt opspattend regenwater over het algemeen op een donkere ondergrond eerder geaccepteerd dan op een lichte ondergrond. Bitumen is dan een goede oplossing. Daarnaast heeft deze laag een beschermende taak tegen geursporen van langslopende honden. Vervuiling door opspattend regenwater met grond kan worden voorkomen door een grindbed langs de gevelisolatie.

8.8.4 Kit

Het belang van de juiste kitsoort en het juist aanbrengen daarvan wordt vaak onderschat. De BRL stelt het volgende:

voor de bij het systeem toe te passen kitten dienen de volgende kwalificaties te worden gehanteerd:

  • blijvend elastisch, toelaatbare vervorming 20-25%, shore hardheid A <20
  • neutraal, d.w.z. oplosmiddelvrij
  • universeel hechtvermogen (behalve wanneer een specifieke primer wordt gebruikt)
  • bij voorkeur in een van de omgeving afwijkende kleur om een goede controlemogelijkheid te hebben ten aanzien van de volledige vulling van de voeg

Aan bovenstaande kwalificaties wordt o.a. voldaan door de volgende kitsoorten:

  • neutrale siliconenkitten
  • diverse polysulfidekitten (thiokol)
  • diverse polyurethaankitten

Andere kitsoorten (bijv. 'zure' siliconenkitten) kunnen chemisch reageren met bestanddelen uit mortels of hebben andere eigenschappen die ze ongeschikt maken voor de toepassing bij gevelisolatie.

Kit mag niet uit de voeg zakken, ook niet bij felle zonbestraling. Rugvullingen mogen de eigenschappen van de kit niet nadelig beïnvloeden en moeten voldoende weerstand bieden voor het aanbrengen en afstrijken van de kit. Ondergronden voor kitvoegen dienen in principe met primer voorbehandeld te worden.

In het zicht blijvende kitvoegen dienen te worden opgenomen in een onderhoudsschema.

Lees verder...